Dromen en luciditeit  
 Hoofdstuk 2: Droom  Hoofdstuk 1 <<    Hoofdstuk 2    >> Hoofdstuk 3 

 
 
  [ menu ]
 
Titelblad

Inhoud

Voorwoord

Inleiding
    1. De slaap
     
    > 2. Droom <
      2.1. Definitie
      2.2. Verklaring
        2.2.1. Freud
        2.2.2. Jung
        2.2.3. Gedragspatronen
        2.2.4. Activatie-synthese hypothese
        2.2.5. Mitchison en Crick
      2.3. Inhoud
      2.4. Nachtmerrie
      2.5. Onthouden
        2.5.1. Voornemen
        2.5.2. Wanneer
        2.5.3. Opschrijven
        2.5.4. Lichaamshouding
        2.5.5. Methode
      2.6. Dromen buiten REM
        2.6.1. Psychoneirica
        2.6.2. Inslaapdroom

    3. Lucide dromen
     
    4. Lucide dromen in andere culturen
Besluit

Bibliografie


 

2. Droom

Iedereen kent dromen en weet wat ze eigenlijk zijn, maar het is niet zo makkelijk om ze te definieren. Wel is het een feit dat dromen enkel voorkomen tijdens de slaap en meer precies altijd in de vijfde slaapfase. Toch zijn de andere vier slaapperiodes geen 'blinde vlekken': ook daar komen ervaringen in voor, zij het minder gedetailleerd en levendig.

[ menu ]  


2.1 Definitie

De droom is een bepaald fysiologisch verschijnsel dat automatisch optreed tijdens periodes van lichte slaap. Het zijn periodes van een bepaalde bewustzijnstoestand die iedereen meemaakt als hij of zij slaapt. De dingen die de dromer beleeft worden op het moment zelf als echt ervaren. Alle zintuigen kunnen worden gebruikt, alhoewel het niet veel voorkomt dat iemand zich een bepaalde geur herinnert. Een vraag die veel gesteld wordt, is of de beelden in dromen in kleur of in zwart-wit zijn. Hierop is geen eenduidig antwoord te geven. Er zijn dromen waarbij het heel duidelijk is wat welke kleur heeft, maar soms is dit gewoon niet meer te achterhalen. Als de dromer zich de kleuren niet meer herinnert, wil dat nog niet zeggen dat hij geen kleuren gezien heeft. Er zijn mensen die beweren dat ze in zwart-wit dromen, er zijn er die altijd in kleur dromen en de meeste mensen weten het gewoon niet, behalve wanneer ze een uitgesproken kleurrijke droom hebben. Eigenlijk is de vraag of dromen in kleur zijn niet te beantwoorden omdat enkel van de herinnering aan de droom kan bepaald worden of er kleuren in voorkomen.

[ menu ]  


2.2 Verklaring

Over de oorzaak van dromen zijn veel theorieen bedacht, waarvan de meeste echter de tand des tijds niet doorstaan hebben. Van de vele theorieen die vandaag nog geloofwaardig worden geacht, zijn de meeste onderling zelfs complementair. Het is dus heel goed mogelijk dat er meerdere theorieen juist zijn. Verder zijn er twee benaderingen: de psychologische en de neurologische. De eerste gaat uit van de gedachte dat de mens als denkend wezen dromen om de één of andere reden nodig heeft, en de tweede ziet dromen als een onvermijdelijk bijverschijnsel van een ander proces dat zich in de hersenen afspeelt.

[ menu ]  

2.2.1 Freud

De man die dromen als eerste wetenschappelijk bekeek, is de beroemde Sigmund Freud. Zijn standaardwerk 'De droomduiding' verscheen in 1900, werd eerst genegeerd maar kreeg steeds meer erkenning en wordt vandaag nog altijd gezien als de standaard voor droomverklaring. Freud beweert daarin dat alle dromen te verklaren zijn, dat ze psychisch nuttig zijn en dat ze iets zeggen over de persoon die de droom beleefde. Zijn theorie geeft ook een verklaring voor het vreemde karakter van dromen, en beweert zelfs het ontstaan van dromen te verklaren.

Centraal in Freuds theorie is dat de droom twee inhouden heeft: de latente en de manifeste. De manifeste is letterlijk dat wat zich manifesteert: de gebeurtenissen in de droom. Als iemand een verslag van een droom opschrijft, wordt enkel de manifeste inhoud genoteerd. De latente inhoud is veel minder duidelijk en ook moeilijker te ontdekken. Om de 'verborgen' latente inhoud te ontdekken, moet aan de hand van psychologische technieken bepaald worden waarom de gebeurtenissen zich voordoen. De oorzaken blijken dan altijd te vinden zijn in de persoonlijkheid, de problemen en de trauma's van de dromer. De latente inhoud maakt de betekenis van de manifeste droom duidelijk, en zegt daardoor heel veel over de dromer zelf. Het is daarom dat Freud aanraadt om dromen te analyseren (aan droomduiding te doen, zoals hij zelf zegt) met behulp van een psychiater.

De theorie van Freud gaat nog veel verder. Zo heeft ieder mens een onbewuste, het Es (of de ID), dat vooral gefocust is op het vervullen van dierlijke driften zoals eten, slapen en seks. Dit streven gebeurt instinctief en is aangeboren, maar wordt enigszins afgeremd door zijn tegenhanger, het bewuste Ich (of Ego). Die probeert de driften van het Es aan banden te leggen. Het Ich past dus als het ware censuur toe op het onbewuste.

Dromen, zo zegt Freud, zijn een niet-bedreigende voorstelling van het onbewuste. Tijdens een droom wordt de censuur van het Ich achterwege gelaten, maar om te vermijden dat de dromer wakker wordt uit zijn slaap worden de driften minder extreem uitgebeeld: ze worden vermomd. Ze verschijnen dan in de vorm van symbolen in de droom. Iedereen heeft symbolen die alleen voor zichzelf een betekenis hebben, maar er zijn ook universele symbolen. Dat Freud hierbij vooral voorbeelden geeft die staan voor de geslachtsorganen en de geslachtsdaad, is genoeg bekend. Een citaat uit De 'droomduiding' (dat trouwens pas in 1987 in het Nederlands verscheen):

"Alle objecten die zich in de lengte uitstrekken, stokken, boomstammen, paraplu's (...), alle langwerpige en scherpe wapens: messen, dolken, pieken, schijnen het mannelijk lid te vertegenwoordingen. (...) Bussen, dozen, kisten, kasten, kachels corresponderen met de schoot van de vrouw, maar ook grotten, schepen en alle mogelijke soorten van recipienten. Kamers in de droom zijn meestal vrouwspersonen, de beschrijving van hun diverse ingangen en uitgangen wekt allesbehalve twijfel aan deze verklaring. (...) Opstappen, ladders, trappen, respectievelijk het beklimmen daarvan, en wel evengoed naar boven als naar beneden, zijn symbolische voorstellingen van de geslachtsdaad."

Dit ontlokte aan velen de kritiek dat de theorie van Freud te veel op het sexuele gericht was. Het is inderdaad moeilijk om een droom te verklaren met de technieken van Freud zonder er een sexuele droom van te maken. Freuds reactie hierop was dat hij enkel voorbeelden gaf en dat droomduiding nooit een klakkeloze toepassing van de symbolen mag zijn. Symbolen zijn immers zeer persoonlijke dingen, die bij iedereen een andere betekenis kunnen hebben.

Ook jonge kinderen dromen met symbolen, wat erop zou kunnen wijzen dat symbolen aangeboren zijn. Hoewel zeer moelijk te bewijzen, heeft de droomtheorie van Freud in een (ethisch bedenkelijk) experiment toch succes behaald. Roffenstein (beschreven door Westerman Holstijn, 1948), gaf aan een kinderjuffrouw onder hypnose de opdracht om in een droom haar baas oraal te bevredigen. Die nacht droomde ze dat ze bij de baas op het bureau werd geroepen, en bananen kreeg aangeboden. Ze nam er één, at hem op en vond het lekker. Dat de banaan hier geldt als het schoolvoorbeeld van een fallussymbool, is wel duidelijk. In dit geval wordt de geslachtsgemeenschap dus inderdaad niet rechtstreeks, maar via een symbool voorgesteld.

Het proces waarin de latente inhoud wordt omgezet in de manifeste noemt Freud de droomarbeid. Het proces in de omgekeerde richting, uit de manifeste inhoud de latente destilleren, is zoals gezegd droomduiding. Voor de droomduiding kan de psycho-analist zich beroepen op verschillende technieken. Freuds eigen favoriet was de techniek van de vrije associatie. Daarbij wordt de patient aangespoord om alles te zeggen wat in zijn hoofd opkomt. Bij de droomduiding is intuitie heel belangrijk, wat het voor veel wetenschappers moeilijk aanvaardbaar maakt. Toch ontdekte Freud ook enkele vaste patronen in de droomarbeid:

Buiten de bekende kritiek op het sexuele karakter van Freuds theorie, zijn er nog meer bedenkingen geuit over het werk van Freud. Hobson bijvoorbeeld vindt de theorie veel te speculatief omdat hij op geen enkel vlak echt bewezen of aangetoond is en omdat Freud zich voor zijn theorie op veel te weining dromen gebaseerd heeft. Hobson meent dat een goede theorie enkel kan gebaseerd zijn op grootschalig statistisch onderzoek. Toch blijken zaken als het onbewuste, symbolen, latente en manifeste droominhoud en verschuiving en verdichting zeer nuttig voor welke vorm van droomduiding dan ook. De verdienste van Freud is niet enkel dat hij de eerste was die zich op een wetenschappelijke manier bezighield met dromen, maar vooral dat hij een stevige basis heeft gelegd waarop wetenschappers tot op vandaag verder bouwen.

[ menu ]  

2.2.2 Jung

Carl Gustav Jung was eerst een leerling en volgeling van Freud, maar ging later zijn eigen weg. Jung ging wel gedeeltelijk akkoord met het sexuele in de theorie van Freud, maar kon niet aanvaarden dat zijn leermeester dat deel als een onaantastbaar dogma wilde vastleggen dat niet vatbaar was voor kritiek. Het was dit persoonlijk machtsstreven van Freud dat Jung ertoe aanzette om zijn eigen weg te gaan.

Jungs ideeen zijn eigenlijk een uitbreiding van de theorie van Freud. De stellingen zijn nog minder wetenschappelijk te bewijzen dan die van Freud, en lijken op het eerste gezicht nogal vergezocht. Toch zijn ze enkel ontwikkeld om waargenomen feiten te kunnen verklaren.

De eerste stelling van Jung is dat dromen ook een uiteindelijk doel hebben: ze bestaan om een effect te hebben op de dromer. Daarenboven is er naast het persoonlijke onderbewuste ook nog een 'collectief' onderbewuste waarin algemene ervaringen worden opgeslagen. Dit collectieve onderbewuste uit zich via zogenaamde archetypen (eigenlijk een soort symbolen, maar dan nog ruimer), die bijvoorbeeld in sprookjes, mythen en in de folklore te vinden zijn. Hiermee is gemakkelijk aan te tonen dat het collectieve onderbewustzijn voor alle mensen gelijk is, ongeacht de cultuur waarin ze leven. Want in veel culturen komen volledig onverklaarbaar dezelfde mythes voor en veel mensen dromen van mythische elementen zonder dat ze die mythes ooit gehoord hebben.

Tot slot heeft volgens Jung de droom voor de mens een evenwichts functie: bepaalde onevenwichten in de geest van overdag worden gecorrigeerd. Jung vindt de manifeste droom ook belangrijker dan de latente, en vindt het zinloos om ze te verklaren aangezien het eigenlijk verhalen zijn in een andere taal die we niet begrijpen.

[ menu ]  

2.2.3 Gedragspatronen

Een eerste mogelijke neurologische verklaring vertrekt vanuit het feit dat de REM-periodes iets te maken hebben met het vastleggen van gedragspatronen. Menselijke dromen zouden een gevolg zijn van en een zicht bieden op het proces dat vanaf de kindertijd de strategieen voor het gedrag vastlegt. De ervaringen worden geevalueerd en geintegreerd in de mens en worden dan gebruikt als een bron van informatie voor verdere handelingen. Ze worden als het ware een deel van de kennis van het individu. Het verschil met de lagere zoogdieren is dan dat die ervaringen niet enkel beperkt blijven tot gebeurtenissen die van belang zijn voor het overleven, maar dat alle ervaringen verwerkt en vastgelegd worden. Winson, een van de grootste verdedigers van deze theorie, gelooft zelfs dat deze theorie hetzelfde beschrijft als datgene wat Freud het onderbewuste noemt. Bekeken vanuit het standpunt van de neurologie (die de zenuwen bestudeert) gaat het om nieuwe verbindingen in de hersenen waarin bepaalde patronen gefixeerd worden. Omdat ook negatieve en traumatische ervaringen en de gevolgen daarvan vastgelegd worden, kunnen die levenslange gevolgen hebben. Winson beschouwt het de taak van de psychoanalyse (de tak van de psychologie die alles analyseert volgens de theoriën van Freud) om de vastgelegde patronen en hun gevolgen aan te tonen en zo mogelijk ook te veranderen.

De grote verdienste van deze theorie is dat hij verklaart waarom de behoefte aan REM afneemt met de jaren en waarom de hersenen van mensen zoveel verschillen van die van dieren, zowel wat het gewicht betreft als de werking.

[ menu ]  

2.2.4 Activatie-synthese hypothese

De Amerikanen Hobson en McCarley ontwikkelden een andere theorie: de activatie-synthese hypothese. Deze hypothese (zo genoemd omdat de bedenkers het enkel als een mogelijke theorie beschouwen) sluit de voorgaande niet uit, en beschouwt dromen ook als een 'bijproduct' van een proces in de hersenen. De droomervaring, zeggen zij, is een noodzakelijk bijverschijnsel van de activatie van bepaalde motorische circuits (zenuwbanen) in de hersenen. Voor de andere hersengebieden lijkt het alsof de prikkels van buitenaf komen en ze worden ook zo geinterpreteerd. Dromen zijn daarbij geen realistisch beeld van de werkelijkheid doordat naast de zintuiglijke indrukken van buitenaf ook enkele denkprocessen niet actief zijn. Dat dromen toch een samenhangend verhaal blijken te vormen heeft een oorsprong in de voorhersenen. Het ontstaan van een droom zou dus kunnen beschreven met de volgende opdrachten: "Maak uit alle signalen die zich in het brein voordoen het meest zinvolle verhaal. Geloof dat verhaal (hoe onwaarschijnlijk ook), en doe daarna geen moeite om het te onthouden." McCarley en Hobson beweren dat hierdoor de inhoud van dromen op geen enkele manier verklaard kan worden omdat over de werking van de hersenen nog maar zeer weinig geweten is. Deze hypothese is veelbelovend omdat ze verklaart waarom de ervaringen in de droom zo echt lijken. Het grote nadeel ervan dat ze tot nu toe op geen enkele manier te bewijzen is.

[ menu ]  

2.2.5 Mitchison en Crick

Een derde theorie is afkomstig van Graeme Mitchison en Francis Crick. Die laatste is geen onbekende, want hij ontving samen met Watson de Nobelprijs voor de ontdekking van de structuurformule van DNA. Volgens deze theorie ontstaan dromen in de neocortex. Dat is een gebied in de hersenen met een netwerk van onderling verbonden cellen die elkaar kunnen beïnvloeden. Wanneer er in dit netwerk veel activiteit is, zoals bijvoorbeeld tijdens de groei of wanneer er zich veel ervaringen voordoen, ontstaan er fouten in. Hiermee worden ongewenste verbindingen bedoeld, een soort van toevallige productiefouten. Het is vrij normaal dat er fouten ontstaan, want volgens een voorzichtige schatting heeft de neocortex van een vijfenveertigjarige ruim een miljard verbindingen. Aangenomen wordt dat foute verbindingen verantwoordelijk zijn voor de 'onlogische' associaties die we kennen als fantasie. Maar het is duidelijk dat het percentage aan fouten niet te groot mag worden; het brein moet dus de fouten 'repareren'. En dat is nu juist wat er volgens Crick en Mitchison tijdens de slaap gebeurt: foute verbindingen worden verbroken of zwakker gemaakt.

Leren gebeurt in de neocortex door het aanmaken of versterken van verbindingen tussen zenuwcellen. Hoe meer een verbinding gebruikt wordt, hoe beter hij wordt en dus hoe gemakkelijker de hersenen de taak uitvoeren. Tijdens REM gebeurt dus precies het omgekeerde als tijdens het leren. De REM-periode is een tijd van ont-leren. De auteurs zeggen het zo: "We dromen om te vergeten". En ze hebben ook nog enig bewijs voor hun stelling. Want de meeste fouten ontstaan tijdens periodes van veel groei en ontwikkeling, bij kinderen dus. En kinderen hebben van alle mensen de meeste fantasie en brengen ook de meeste tijd in de REM-fase door. Ook de Australische miereneter mag nog eens opdraven. Zijn fouten worden niet gerepareerd, dus moet zijn netwerk veel groter zijn dan normaal om nog een redelijk foutenpercentage te hebben. Ook is te verwachten dat de afwezigheid van het reparatieproces leidt tot al dan niet zware vormen van geestesziekheid. En dat zo zou je inderdaad de gevolgen van een tekort aan REM-slaap kunnen beschrijven.

Waarom het `ontleren' nu precies in de vijfde slaapfase gebeurt wordt ook verklaard. Ten eerste moet de storing van zintuiglijke in- en uitvoer zoveel mogelijk vermeden worden. Het lichaam moet dus slapen. Vervolgens moeten de foute verbindingen geactiveerd worden en moeten ze op een bepaalde manier verzwakt worden. En tijdens de REM-slaap is er veel activiteit in de hersenstam waardoor veel andere gebieden van de hersenen actief worden.

De laatste twee grote vragen blijven echter onbeantwoord. Hoe kunnen zenuwverbindingen verzwakt worden en hoe wordt bepaald welke er fout zijn en welke juist? Andere wetenschappers hebben hier gegronde vermoedens over, maar het leidt te ver om deze te bespreken

[ menu ]  


2.3 Inhoud

Wat er juist gebeurt in dromen verschilt van cultuur tot cultuur en vooral van mens tot mens. Om aan grootschalig onderzoek te kunnen doen ontwikkelden Hall en Van de Castle een codesysteem waarin alle gebeurtenissen in een droom systematisch kunnen opgetekend worden. Er zijn vijftien categoriën, elk met hun eigen speciale codes en eigenschappen. Ze pasten hun methode toe op duizend dromen van tweehonderd Amerikaanse studenten. Wat vooral opviel was het grote verschil tussen mannen-en vrouwendromen: vrouwelijke dromen spelen zich vaker binnenshuis af, hebben meer gezinsleden als personages en bevatten meer verbale dan fysieke agressie. Bij mannen zijn de meeste (twee derde) van de personages mannen, terwijl er bij de vrouwen wel een gelijke verdeling is.

In 1980 herhaalde Hall het onderzoek, om de invloed van de veranderde tijdsgeest in te kunnen schatten. De resultaten waren exact hetzelfde. De Jong en Waterman deden hetzelfde onderzoek in Nederland, en ontdekten wel enkele verschillen met de Amerikaanse droom. Zo dromen Nederlandse vrouwen niet zo vaak over gebeurtenissen binnenshuis, komen er bij mannen minder collega's voor in de droom en is er meer agressie en minder seks in de Nederlandse dromen.

De cultuur waarin men leeft mag dan een grote invloed hebben op de inhoud van de dromen, de persoonlijke verschillen zijn nog altijd veel belangrijker. Om te controleren of een droom juiste informatie geeft over het karakter van de dromer, onderzochten Hall en Lind éénendertig dromen van de beroemde (Oostenrijkse) schrijver Franz Kafka met de inhoud van drie van zijn romans en met biografische feiten. Ze toonden aan dat uit de dromen zeer duidelijk bepaalde eigenschappen van Kafka naar voren kwamen, die eenvoudig bevestigd konden worden. Dromen zijn dus een goede bron van informatie over het karakter van degene die ze heeft en ze zijn voor iedereen uniek.

[ menu ]  


2.4 Nachtmerrie

Een bepaald type droom is bij iedereen wel gekend: de nachtmerrie. Dat is per definitie een droom waaruit men wakker wordt, meestal door de sterke angstgevoelens die erin voorkomen. De dromer is altijd het slachtoffer van agressie. Nachtmerries komen vooral voor in de latere (en dus langere) REM-periodes. De (doods)angst in een nachtmerrie komt altijd samen voor met een moeilijke ademhaling, een drukkend gevoel op de borst en een gevoel van spierverlamming. Vroeger dacht men dat het drukkend gevoel op de borst veroorzaakt werd door geesten; tegenwoordig denken de wetenschappers eerder in de richting van een stilgevallen of bemoeilijkte ademhaling.

Het onderzoek naar nachtmerries wordt sterk tegengewerkt door een speciale eigenschap die de nachtmerrie gemeen heeft met de natte droom (een droom waarin de man ejaculeert). Beide droomsoorten zijn immers nog nooit opgetekend in een slaaplabo!

Hartmann toonde een verband aan tussen de persoonlijkheid van mensen en het aantal nachtmerries dat ze hebben.

Naast de nachtmerrie zijn er nog twee belangrijke vormen van nachtelijke angsten: pavor nocturnus en de hypnogogische nachtmerrie. De eerst komt meestal voor bij kinderen die ook in hun slaap praten. Ze schrikken dan 's nacht wakker zonder een angstige droom gehad te hebben en zijn een tijdje in paniek en volledig onaanspreekbaar. De hypnagogische of hallucinatoire nachtmerrie komt enkel voor bij narcolepsiepatienten (mensen die leiden aan onbedwingbare slaapaanvallen). Zij hallucineren dan iets tijdens de overgang tussen waken en slapen, en kunnen achteraf onmogelijk geloven dat het niet echt was.

[ menu ]  


2.5 Onthouden

Om meer over dromen te leren, is het nodig om de vele dromen die men heeft te kunnen onthouden. De beste manier om dit te doen is zeer verschillend van persoon tot persoon, maar toch zijn er enkele gemeenschappelijke kenmerken.

Het onthouden van dromen is een vaardigheid, die enkel met oefening en discipline te leren is. Mensen hebben meer of minder aanleg voor het onthouden van hun dromen, maar met veel doorzetting kan bijna iedereen leren om zich álle dromen te herinneren (dit zijn er vier tot vijf per nacht).

[ menu ]  

2.5.1 Voornemen

Eén van de belangrijkste factoren bij het onthouden van dromen is het voornemen van de dromer. 's Avonds vlak voor het inslapen concentreren op het feit dat men zijn droom wil herinneren helpt enorm. Op de één of andere manier blijft dit voornemen heel de nacht in het bewustzijn, en de volgende morgen wordt men meestal wakker met de laatste droomscène nog in gedachten.

[ menu ]  

2.5.2 Wanneer

Ook belangrijk bij het onthouden van dromen is het moment waarop het gebeurt. Dit moet namelijk vlak na het ontwaken gebeuren. Meteen na het wakker worden ligt een droom nog vers in het geheugen, maar zonder de droom op te schrijven of erover te praten vervaagt de herinnering zeer snel. Na vijf minuten blijven er enkel nog wat flarden over, en na tien minuten herinnert men zich meestal niets meer. 's Morgens vinden de langste dromen plaats, en het is meestal de laatste droom die men zich voor de geest kan halen. Mensen die te weinig slaap hebben, herinneren zich doorgaans minder dromen dan anders.

Het meeste succes heeft men wanneer men zonder zorgen spontaan wakker wordt. Spontaan wakker worden gebeurt namelijk altijd op het moment dat men uit de vijfde slaapfase komt. Men ontwaakt met andere woorden meteen na het einde van de droom. De dromer mag zijn gedachte niet laten afleiden door andere zaken (zoals het werk van de dag, of het uur), omdat deze gedachten de droom verdringen. Kalm blijven liggen, de ogen gesloten houden en zich rustig afvragen waarover men gedroomd heeft biedt de meeste kansen op succes.

Ten slotte is er bij vrouwen ook nog een verband aangetoond met de maanstand (of met de dikwijls gelijklopende menstruatiecyclus). Tijdens en vlak vóór de menstruatie worden de minste dromen herinnerd; en de meeste worden onthouden tussen de tiende en de vijftiende dag van de cyclus. Onderzoek naar een gelijkaardig verschijnsel bij mannen is nog niet uitgevoerd.

[ menu ]  

2.5.3 Opschrijven

Om niets van een onthoude droom verloren te laten gaan, moet die op de één of andere manier geregistreerd worden. Het inspreken op een bandje brengt de dromer meestal uit concentratie; daarom schrijven de meeste mensen hun dromen op.

Over hoe dat gebeurt heeft iedereen een andere mening. Zo geven sommige mensen elke droom bijvoorbeeld een titel. Algemeen bekeken zijn die systemen het beste die toelaten om ook midden in de nacht dromen te noteren zonder daarbij al te wakker te worden. Ideaal is dus om in het donker te leren schrijven.

Letterlijk citaten en teksten moeten meteen opgeschreven worden, omdat ze na enkele minuten `veranderen'. Bij testen waarbij een gedroomd citaat meteen na het ontwaken en vijf minuten later nog werd opgeschreven, merkte Patricia Garfield dat de twee versies grote verschillen vertonen. De reden hiervoor is waarschijnlijk de `secundaire bewerking', zoals Freud ze beschreef.

[ menu ]  

2.5.4 Lichaamshouding

Gek genoeg is ook de lichaamshouding heel belangrijk bij het herinneren van dromen. Als men op een bepaald moment geen verdere scènes meer kan herinneren, helpt het om een andere slaaphouding aan te nemen. Bruuske bewegingen verstoren echter de herinnering aan dromen.

[ menu ]  

2.5.5 Methode

Op het moment dat men ontwaakt, is het meestal enkel de laatste scène uit de droom die men zich herinnert. De dromer vraagt zich vervolgens af wat er daarvóór gebeurde en herinnert zich de vorige scène, enzoverder. Wanneer het gebeurt dat men zich niets herinnert, helpt het soms om te denken aan al de mensen die men kent. Meestal is één van hen wel in een droom aanwezig geweest en kan men zich zo een bepaalde scène herinneren.

De droom wordt van achter naar voren helemaal voor de geest gehaald, en dan van voor naar achter opgeschreven. Het beste is om dit in de tegenwoordige tijd te doen, om zich beter in de gevoelens van de droom te kunnen inleven.

[ menu ]  


2.6 Dromen buiten REM

Door alle onderzoek naar het verband tusen dromen en REM, was men een tijdlang uit het oog verloren wat er tijdens de andere delen van de slaap gebeurt. Verschillende onderzoekers hebben ondertussen ontdekt, dat er in de NREM-periodes ook mentale activiteit is, maar dan niet in de vorm van 'afgewerkte' dromen. Proefpersonen die wakker gemaakt worden uit een REM periode, zeggen in 86 tot 90 procent van de gevallen dat ze zich denk-activiteit herinneren. Bij het wekken uit een NREM periode schommelt dit cijfer afhankelijk van het onderzoek tussen de zeven en de zevenenveertig procent. De resultaten worden hierbij vooral beinvloed door de manier waarop de vraag gesteld wordt (er is BV een enorm verschil tussen "Herinnert u zich nog een droom" of "Herinnert u zich nog wat er zonet door uw hoofd ging". Het grote verschil tussen REM en NREM ligt dus niet in het aantal ervaringen, maar wel in de kwaliteit ervan.

David Foulkes bijvoorbeeld zegt:

"Rapportages verkregen tijdens REM-activiteit vertoonden meer betrokkenheid in affectieve, visuele en motorische zin, en zij waren uitvoeriger dan NREM-rapportages. De REM-rapportages hadden minder overeenkomst met het waakleven van de proefpersonen dan de rapportages uit andere stadia. Het betrekkelijk veelvuldig voorkomen van denk- en geheugenprocessen tijdens de stadia 2, 3 en 4 was vooral een opvallend resultaat."

En zijn collega Rechtscahffen meent:

"(dromen in NREM worden) minder goed herinnerd, (zijn) meer als denken en minder als dromen, minder levendig, minder visueel, meer begripsmatig, onder grotere wilscontrole, waarschijnlijk meer te maken hebbende met het dagelijkse leven, ze komen voor tijdens lichtere slaap, ze zijn minder emotioneel en plezieriger."

De ervaringen tijdens NREM lijken dus veel meer op echte gebeurtenissen dan op de 'verzonnen' en onrealistische droomverhalen. Ook het sterk visuele karakter van de droom ontbreekt.

[ menu ]  

2.6.1 Psychoneirica

David Foulkes, een Amerikaans psychiater en cognitief psycholoog, is zeer geïnteresseerd in de gedachtenvormen die zich tijdens NREM-fases voordoen, omdat hij ze beschouwt als `mislukte dromen'. Hij vergelijkt het maken van een droom met het vormen van een zin. Bepaalde elementen worden via bepaalde regels (die van de grammatica of die van een verhaal) samengevoegd. In de hersenen moet zich dus ook een centrum bevinden voor de grammatica van de droom.

Het veelbelovende van deze mogelijkheid is, dat de dromen in NREM eigenlijk onvolledige of fout afgewerkte dromen zijn. En net als bij de bestudering van de taal, kunnen de onderzoekers veel meer leren over de hersenen door te kijken naar wat er fout gaat in plaats van naar juiste voorbeelden.

Omdat Foulkes de dromen als een uiting ziet in een eigen taal, startte hij een nieuw wetenschappelijke discipline: de psychoneirica. Dit bestudeert de vorm van de taalprocessen die zich voordoen tijdens dromen.

[ menu ]  

2.6.2 Inslaapdroom

Een laatste vorm van dromen die niet tijdens de REM voorkomen, zijn de inslaapdromen. Op het moment dat men inslaapt vertonen de ogen SEM's, trage rollende oogbewegingen. De inhoud van de inslaapdroom is veel onderzocht, meestal met verschillende resultaten. Terugkerende elementen zijn een minder goed georganiseerd verhaal, minder betrokkenheid van de dromer in het verhaal, minder emoties en geen visuele eenheid maar eerder een aaneenschakeling van verschillende beelden. Het verschil tussen een inslaapdroom en een echte droom is dus ongeveer zoals het verschil tussen een diavoorstelling en een film.

[ menu ]


 Dromen en luciditeit  
 Hoofdstuk 2: Droom  Hoofdstuk 1 <<    Hoofdstuk 2    >> Hoofdstuk 3