Dromen en luciditeit  
 Hoofdstuk 1: De slaap  Inleiding <<    Hoofdstuk 1    >> Hoofdstuk 2 

 
 
  [ menu ]
 
Titelblad

Inhoud

Voorwoord

Inleiding
    > 1. De slaap <
      1.1. Definitie
      1.2. Functie
      1.3. Kenmerken
      1.4. Het circadiaan ritme
      1.5. Oorzaak
      1.6. Slaapfases
      1.7. REM
       
    2. Droom
     
    3. Lucide dromen
     
    4. Lucide dromen in andere culturen
Besluit

Bibliografie


 

1. De slaap

Dromen komen per definitie enkel voor tijdens de slaap. Maar wat is slaap eigenlijk, en hoe komt het dat iedereen zoveel slaap nodig heeft? Om dromen goed te begrijpen, is het nuttig om de functie van slaap te doorgronden.

[ menu ]  

1.1 Definitie

De definitie van slaap zegt dat het een bepaalde toestand is die bij de meeste gewervelde dieren voorkomt. Het lichaam verkeert in rust, en er is een verminderd bewustzijn van uitwendige prikkels. Een volwassene slaapt gemiddeld zeven tot acht uur per dag, kinderen slapen langer en zeer oude mensen minder. Aangezien slapen meer tijd in beslag neemt dan bijvoorbeeld eten en drinken, moet de slaap wel een belangrijke functie hebben.

[ menu ]  


1.2 Functie

Eén van de belangrijkste functies van slaap is heel eenvoudig het uitrusten. Na een dag van activiteit heeft het lichaam behoefte aan een veilige, stabiele periode waarin het wonden kan helen, de stofwisseling kan regelen enz. Ook van de groei is aangetoond dat die voornamelijk 's nachts gebeurt. Een fenomeen dat bij het herstel van het lichaam zeer belangrijk is, is het circadiaan ritme.


Om uit te zoeken welke functies de slaap nog meer heeft, hebben verschillende mensen deelgenomen aan experimenten met slaapdeprivatie. Dat houdt in, dat proefpersonen op vrijwillige basis zo lang mogelijk proberen om niet in slaap te vallen. Tot de meest geslaagde en best opgevolgde pogingen behoren die van de New Yorkse diskjockey Peter Tripp, en die van de scholier Randy Gardner. De eerste bleef 200 uren wakker en sprak op het einde verward en onduidelijk en kreeg 's nachts zelfs paranoïde wanen en gehoorshallucinaties. Ook weigerde hij op het einde alle medewerking met zijn begeleiders. Beter verging het de 17-jarige Gardner, die het 264 uur uithield (en er toen een vermelding in het Guinness Book of Records aan overhield). De jongeman, die overigens een goede conditie had, kreeg enkel last van vermoeide ogen en had soms enkele moeilijke momenten tijdens de nacht. Op het einde werd hij mee wakker gehouden door de talrijk opgedaagde pers en publiek. Hij slaagde er na afloop nog perfect in om een persconferentie te leiden en sliep vervolgens 14 uur en 40 minuten.


Dit betekent echter zeker niet dat de slaap overbodig is. Dement, die bij beide experimenten aanwezig was, wijst namelijk op het feit dat tijdens een lange periode van slaapdeprivatie de proefpersonen regelmatig 'absences' hebben, die eigenlijk een soort van zeer korte slaapjes zijn.


Verder is het ook overduidelijk dat slaapgebrek een invloed heeft op het humeur en het algemeen 'welzijn'. Dit heeft duidelijk ook een mentale oorsprong, en wordt verderop besproken.

[ menu ]  


1.3 Kenmerken

Zoals bekend heeft een slapend persoon de ogen gesloten en reageert hij niet op uitwendige prikkels. Wanneer hij of zij dat wel doet, is hij namelijk per definitie wakker, enkele uitzonderingen daar gelaten. Bij het ontwaken weet de slaper doorgaans niet wat hij die nacht heeft meegemaakt, behalve als hij zich een droom herinnert.


Zoals gezegd, duurt de slaap gemiddeld 7 tot 8 uur. Er is echter een kleine groep mensen die extreem lange of korte nachten nodig hebben om uitgerust te zijn. Uit een onderzoek bij een miljoen Amerikanen, bleek dat na een periode van 6 jaar er in de groep mensen met een extreme slaap-duur meer sterfgevallen waren dan in de 'gewone' groep. Een echte oorzaak voor dit verschijnsel kon men echter niet vinden.


De hersenen verkeren tijdens de slaap in een andere toestand dan tijdens het waken; de hersengolven (die opgetekend worden in een Electro EncefaloGram of EEG) hebben een andere frequentie. Overdag vertonen de hersenen zogenaamde alfagolven: regelmatige ritmes van tien trillingen per seconde (Hertz). In slaaptoestand wisselen de frequenties tussen thèta- en deltagolven, met frequenties die variëren van een halve tot vijftien Hz. De verschillende frequenties wisselen elkaar af volgens een bepaald stramien, de zogenaamde slaapstadia.

[ menu ]  


1.4 Het circadiaan ritme

De concentratie van de hoeveelheid `slaapstof' in de hersenen en de daarmee samenhangde slaapperiodes verlopen volgens een patroon van vierentwintig uur: het circadiaan ritme (circadiaan: zoals een etmaal). Het is duidelijk dat dit zo is omdat een dag op aarde 24 uur duurt, en het slapen best gebeurt tijdens de minst productieve periode: de (donkere en dus gevaarlijke) nacht. Ook andere cycli verlopen volgens het circadiaan ritme, onder meer de hormoonwerking (groeihormoon wordt vooral 's nachts afgescheiden), de lichaamstemperatuur die 's avonds het hoogst is en 's morgens het laagst, en de concentraties van mineralen en metalen in het bloed.


In hoeverre het circadiane ritme wordt beïnvloed door factoren van buitenaf zoals licht en geluid, werd onderzocht in een experiment waarbij proefpersonen enkele weken verbleven in een bunker nabij München. Ze waren volledig van de buitenwereld afgesloten; er kwam geen licht of geluid van de buitenwereld binnen en ook klokken en media zoals televisie en kranten werden geweerd. De deelnemers waren wel voorzien van alle comfort en konden hun tijd naar eigen keuze doorbrengen met lezen, schrijven of naar muziek luisteren, zodat de meesten het een aangename periode vonden. De resultaten waren verassend: in plaats van 24 uur, duurde een gemiddelde dag in de bunker 25 uur. De proefpersonen sliepen even lang als gewoonlijk, maar bleven telkens een uur langer wakker. Toen de proef na 15 dagen eindigde waren de deelnemers verrast, omdat ze dachten dat ze nog maar 14 dagen in de bunker doorgebracht hadden.


Er zijn dus elementen die ons slaap- en waakritme aanpassen aan de 24-uur cyclus. Zulke factoren, zoals bijvoorbeeld zonlicht of een wekker, worden Zeitgebers (dus tijd-gevers) genoemd.


Verschijnselen zoals jetlag en slaapstoornissen door onregelmatig nachtwerk zijn eenvoudig te verklaren met het circadiaan ritme. Iemand die naar een ander land vliegt met een tijdsverschil van enkele uren, heeft per uur een dag nodig om zijn eigen circadiaan ritme op te schuiven naar de plaatselijke tijd. Als de reiziger slechts enkele dagen in het vreemde land verblijft kan het de moeite zijn om gewoon de uren van thuis aan te houden, maar dan is er wel het probleem dat de plaatselijke Zeitgebers het ritme in de war sturen. Iemand die op onregelmatige tijden nachtwerk doet, heeft als het ware telkens een jetlag van maximum 12 uur.


Doordat het ritme zonder Zeitgebers 25 in plaats van 24 uur duurt, is de jetlag van oost naar west veel makkelijker te verteren dan omgekeerd. Iemand die in westelijke richting vliegt moet zijn ritme namelijk verlengen om zich aan te passen en dat gaat gemakkelijker dan het ritme inkorten.

[ menu ]  


1.5 Oorzaak

Slaap is zeer moeilijk tegen te houden; iedereen weet dat na een periode van wakker zijn inslapen onvermijdelijk wordt. Om te onderzoeken of de oorzaak hiervan misschien chemisch was, voerde de Franse fysioloog Henri Pieron een experiment uit op proefdieren. Hij hield honden een tijdje wakker en tapte daarna het hersenvocht af. Dat werd dan geïnjecteerd bij andere honden, die daarop meteen insliepen. Zijn conclusie was, dat er een stof bestaat die in het hersenvocht van de ene hond wel aanwezig was en bij de andere niet. Pas in 1981 slaagde een groep van de universiteit van Harvard erin om de zogenaamde S-factor (de stof die slaap opwekt) af te scheiden. De 'slaapstof' bleek een klein eiwitmolecule te zijn, waarvan op dat moment de exacte chemische samenstelling niet te achterhalen was. Wetenschappers zouden die graag kennen, om zo de stof synthetisch na te kunnen maken. Hiervan kunnen ze dan een ideaal en 'natuurlijk' slaapmiddel maken dat niet verdovend werkt en geen bijwerkingen heeft.


Het in slaap vallen is dus het gevolg van de aanwezigheid van een chemische stof in de hersenen. 's Nachts wordt die stof afgebroken, en in de loop van de dag stijgt de concentratie totdat we weer gaan slapen. Het is dus logisch dat slaapdeprivatie niet onbeperkt kan blijven duren: na een tijd wordt de concentratie van slaapstof zo groot, dat wakker blijven onmogelijk wordt. Hoe groter de concentratie van de slaapstof, hoe intenser de slaap (hoe meer delta-golven.)

[ menu ]  


1.6 Slaapfases

Naast het circadiane ritme dat 24 uur duurt, is er ook nog het ultradiaan ritme van 90 minuten. Dit is, zoals William Dement het noemt, het fundamentele slaappatroon van negentig minuten. Het bestaat uit 5 verschillende slaapfases die na elkaar herhaald worden. Aangezien de cyclus anderhalf uur duurt, komt het per nacht dus zo'n vier a vijf keer voor. De fases onderscheiden zich op basis van hersenactiviteit, oogbewegingen, hartslag, ademhaling en spierspanning.


Fase vijf is de fase van de REM-slaap. De andere vier fases worden ook soms aangeduid als niet-REM, of kortweg NREM.


Het ultradiaan ritme duurt telkens ongeveer negentig minuten, maar de slaapfases waaruit het bestaat veranderen wel van duur. In het eerste deel van de nacht is er vooral meer diepe slaap, in het tweede deel vooral veel REM-slaap en slaap van de tweede fase. De vijfde fase, waarin dromen voorkomen, wordt telkens langer en de dromen worden dus langer naarmate de slaap langer duurt. De eerste keer dat de cyclus doorlopen wordt duurt de REM-periode zo'n tien minuten; op het einde van de nacht kan dat oplopen tot zo'n drie kwartier.

[ menu ]  


1.7 REM

De functie van de snelle oogbewegingen is nog altijd niet helemaal doorgrond. De oogspieren blijken de enige spieren in het lichaam te zijn die niet verlamd zijn tijdens de vijfde fase. Aangezien men tijdens de REM droomt, is het logisch om aan te nemen dat de ogen gewoon de bewegingen volgen die de dromer in de droom met zijn ogen maakt. Deze scan-hypothese is wel bewezen voor enkele bepaalde gevallen, maar toch is het niet echt zeker dat dit altijd het geval is. Ook bijvoorbeeld baby's en blind geboren mensen hebben snelle oogbewegingen, hoewel zij niet in staat zijn om de bijhorende beelden te vormen. Wel geloven de meeste onderzoekers dat er een verband is met de hoeveelheid en de snelheid van de oogbewegingen in de droom. Zo heeft onderzoek aangetoond dat rustige periodes in een droom met weinig REM-activiteit gepaard gaan, en dat levendige dromen samenhangen met heftige REM-bewegingen.


Dat mensen REM-periodes nodig hebben, is genoeg aangetoond. In experimenten werden mensen in een slaaplaboratorium gewekt telkens als hun oogspieren activiteit vertoonden. De REM-periodes verschenen steeds sneller na het opnieuw inslapen, totdat alle slaapfases van 1 tot 4 volledig werden overgeslagen. De behoefte aan REM stijgt dus ongeveer op dezelfde manier als de behoefte aan slaap, en inderdaad heeft de Franse droomonderzoeker Jouvet naar analogie met de S-factor een stof in het hersenvocht aangetoond die REM opwekt. Tot nu toe is de samenstelling van deze stof niet bekend. Anders dan bij diepe slaap wordt een grote achterstand niet ingehaald door een intensere REM-periode, maar wel door een langere. Hoeveel van de verloren REM-tijd er wordt ingehaald, verschilt van persoon tot persoon. Dit verschil in 'REM-rebound' kan verklaard worden doordat sommige mensen meer onderdelen van de REM in andere slaapperiodes onderbrengen.


Tijden de REM vertonen de EEG-metingen het thètaritme, dat in de hersenen ontstaat in de hippocampus. Dat is één van de genetisch oudste gebieden van de hersenen, wat betekent dat bijna alle dieren het hebben. Recent onderzoek van Winson heeft aan het licht gebracht dat deze hersengolven iets te maken hebben met het opslaan van gegevens in het lange-termijngeheugen. Het komt onder meer voor bij dieren die gedrag aanleren dat nodig is voor hun overleven, maar dat ze nog niet hebben meegekregen vanaf de geboorte. Winson neemt aan dat tijdens de REM-slaap de nog niet verwerkte informatie in het lange-termijngeheugen worden geplaatst. Een mooi 'bewijs' van deze theorie is de Australische miereneter of echidna. Dit zoogdier is het enige in zijn soort dat geen REM-slaap heeft. Daardoor kan het dus ook geen gebruikmaken van de functie van de thetagolven. Kenmerkend voor de anatomie van dit dier is de in verhouding enorm grote prefrontale cortex, een gebied van de hersenen waar recente informatie wordt bijgehouden. Het lijkt er dus op dat de echidna deze grote hoeveelheid geheugen nodig heeft omdat hij geen thètagolven heeft die ervoor zorgen dat de informatie efficiënter opgeslagen wordt. Een andere aanduiding dat het thetaritme dient om informatie te verwerken en op te slaan, is het feit dat kinderen zeer veel slapen (en dus veel REM hebben) en dat de behoefte aan REM afneemt met de leeftijd.


Wat er nu juist gebeurt in de vijfde slaapfase, met andere woorden waarom we die nodig hebben, is nog een raadsel. Fishbein en Gutwein toonden aan dat dieren geleerde taken beter onthouden als ze tussen het moment van het leren en het herinneren geen REM-periode doorgemaakt hebben. Dement bewees dat een gebrek aan REM bij mensen leidt tot angst, prikkelbaarheid en concentratieverlies. Greenberg en zijn medewerkers vonden dat REM-deprivatie geen invloed heeft op het IQ van de proefpersonen, maar wel op hun gevoelsleven. Cohen en Cox toonden aan dat dromen over een stressvolle of onaangename gebeurtenis helpt om de gebeurtenis te verwerken en om in een betere stemming te geraken. Het is dus duidelijk dat REM zowel te maken heeft met de opslag van recente informatie in het lange-termijngeheugen als met het gevoelsleven.


Een laatste eigenaardigheid van de snelle oogbewegingen is dat in het hierboven beschreven experiment in de bunker de REM-periodes van de deelnemers telkens even lang duurden.

[ menu ]


 Dromen en luciditeit  
 Hoofdstuk 1: De slaap  Voorwoord <<    Hoofdstuk 1    >> Hoofdstuk 2